De oude kantine

Het begon al zo gauw je de garderobe binnen kwam gelopen. Ik probeerde altijd m’n
voetbaltas zo nonchalant mogelijk no-look van m’n schouder te laten glijden, zodat de tas in
kwestie via een halve rotatie nog even een kleine sliding maakte op de bruine tegels aan de
linkerkant van de garderobe, tussen een melting pot van andere voetbaltassen. Een entree
door een walm van scheenbeschermers, natte onderbroeken en gras (beter bekend als Eau
d’Voetbaltas), om vervolgens de klapdeuren te openen naar het hoogtepunt van de
zaterdag: de kantine.

De oude kantine van RCL zal niet hoog eindigen op de lijstjes vol architectonische
hoogtepunten van Leiderdorp. Ook zullen binnenhuisarchitecten waarschijnlijk niet nauw
betrokken zijn geweest bij de inrichting van het gebouw. Toch was het voor mij elke zaterdag
de mooiste plek op aarde. Dat gevoel ontstond al als Fje, toen je na een oorwassing tegen
de grote boeren van Hazerswoudse Boys of de Leidse straatvoetballertjes van Roodenburg
in de kantine je verdriet weg kon drinken met een AAtje, en je voor een piekie een zakje
snoep kon halen links achterin de kantine. Daar stond ook de tafelvoetbaltafel. Ik keek
urenlang toe hoe m’n broers en hun teamgenoten in hun Australian trainingspakken en hoog
opgeschoren kapsels aan de metalen staven stonden te draaien. Door een paar theedoeken
uit de keuken te ‘lenen’ en die opgerold in de doelen te leggen, zal die tafelvoetbaltafel niet
erg winstgevend geweest zijn.

Met 5 gulden in je hand gedrukt door papa was de kantine door de jaren heen ‘s zaterdags
een soort kinderopvang voor mij en mijn teamgenootjes. Een kinderopvang waar
pedagogiek bestond uit het leren van de mores van de kantine. Zo leerden we als snotapen
al gauw wat ‘lappen’ was, hoe je een flesje bier aan de krat kan openen, hoe je een gratis
patatje-met kon krijgen als je snel je hand opstak als een bestelling werd omgeroepen, hoe
je een flesje bier met een aansteker kan openen, hoe het perfecte biertje getapt wordt, en
hoe je een flesje bier openmaakt met je tanden. Ook kregen we in de smiezen hoe de
hiërarchie van de kantine in elkaar stak. Op de top van de apenrots zat de Vijfde Colonne,
aangestuurd door Bram Brandt. Met grote glazen rode wijn en kaasplankjes huisde deze
invloedrijke kliek in de rechterhoek van de kantine, met uitzicht over hun koninkrijk. Een
treetje daaronder zaten de legendes van de bar, die een seizoenkaart leken te bezitten voor
hun plek aan de toog. Hier kon je als kantinegroentje pas laat op de avond, als de
stamgasten zich waggelend richting uitgang begaven, eindelijk je plekje claimen aan de
prachtig glanzende cederhouten bar. De volgende invloedrijke laag van de
kantinesamenleving bestond uit de senioren selectieteams, die steevast rondom de lange
tafels in het kloppend hart van de kantine verbleven. Alex Barendse en Pepijn Brands die
weer eens een zinloze discussie over een gemiste kans voeren, Remco Visser die met
stemverheffing het laatste pijppie uit de krat opeist, Dennis van Rooijen die 20 lootjes voor
de loterij koopt, terwijl iedereen al weet dat Marco Piket er met z’n ene lootje met de
hoofdprijs vandoor zal gaan (een vleespakket van de Witte Prijzenslager). Onderaan de
hiërarchische kantineladder zoemden de overige bezoekers rond.

Toen ik eindelijk m’n opwachting mocht maken als seniorenvoetballer in het Tweede, werd
de kantine als m’n tweede huiskamer. Eindelijk mocht ik ook een adtje jenever als de
felbegeerde fles werd gewonnen met de loterij. Eindelijk mocht ik ook 10 euro in de pot
stoppen als Billie Plomp weer eens luidkeels ‘LAPPEN!’ schreeuwde over de volle
breedtegraad van de kantine. Eindelijk zat ik op de eerste rang wanneer Standen Thijs vol
overgave aan het einde van de middag alle standen die in de kantine hingen handmatig
actualiseerde, cijfertje voor cijfertje en lettertje voor lettertje. Ik zat in de kantine toen de
kratten bier plaats maakten voor de kleine tapvaatjes. Ik zat in de kantine toen de kleine
tapvaatjes plaats maakten voor de pitchers. Ik merkte dat ik na de negentig minuten op het
veld, na het laatste fluitsignaal, met m’n gedachten al in de kantine zat. De odeur van
schraal bier en frituur die nog dagen lang in je kleding zat. Alle slappe verhalen werden weer
van stal gehaald, je Leidse vocabulaire werd weer bijgeschaafd. Ik voelde vaak een zweem
van teleurstelling als je onverhoeds met het Eerste mee moest, want dit betekende dat je
pas later in de middag je sportieve plicht moest doen, en je daardoor enkele uren zuivere
kantinetijd met het Tweede door de neus werd geboord.

Ik merkte gaandeweg dat de kantine meer was dan een gebouw van steen. Het was
welbeschouwd een donker hol, bij de bouw was blijkbaar niet nagedacht over het plaatsen
van enkele raampartijen om een klein beetje zonlicht door te laten, laat staan dat er een
alternatief voor de donkerbruine vloertegels en bruine bakstenen muren werd geopperd.
Hierdoor had de kantine dezelfde onheilspellend sfeervolle duistere gloed rondhangen, of je
er nou om 8 uur ‘s ochtends in een warm bakje koffie stond te blazen, of er na de tweede
laatste ronde je laatste biertje stond weg te slurpen. Hierdoor leek het alsof de tijd stil stond
in de Oude Kantine. Een soort tijdsvacuüm waarin iedereen zich elke zaterdag even los
waande van het ruimte-tijd continuüm. En in deze vierde dimensie (vrij naar Einstein) vierde
het geluk hoogtij. Als ik m’n ogen dicht doe zit ik er weer, met alle RCL legendes om me
heen, een krat bier op tafel, en een lach op m’n gezicht.

Freek Jonker